Ik zit achterin de zaal te kijken naar Jeroen Busscher, die mijn collega Marleen Kruyswijk ondervraagt over het Getting Things Done schema. Eén van punten in dat schema is het weggooien van dingen. Waarop Jeroen vraagt: “Waarom is dat zo moeilijk, dat weggooien?”.
Ik weet er nu drie. Wie noemt er nog een paar als commentaar op deze post?
Weggooien is zo definitief. Als je allemaal papieren op je bureau hebt liggen weet je heus wel dat je een bepaald percentage van die papieren nooit meer gaat zien. Laat staan dat je er wat mee gaat doen. Maar zodra je de beslissing neemt om het weg te gooien, kun je niet meer terug. Dat is nogal een hobbel. Vooral voor perfectionisten, twijfelkonten en angsthazen. (Een tussen-prullenbak is dan een idee. Zet gewoon een aparte doos neer voor twijfel-weggooien. Na drie maanden kun je die alsnog leegkieperen in de echte vuilnis.)
Weggooien kost tijd. Als je de stapel papier op je bureau door moet werken om te kijken wat je weg kunt gooien kost dat domweg tijd. Wat helpt is om die weggooi-beslissing zo snel mogelijk te nemen nadat iets je leven binnenkomt. Als je een brochure meteen weggooit en ‘m niet eerst op je tafel legt is het maar vast gedaan.
Weggooien is emotioneel. Hoe vaak heb je niet dat je dingen hebt liggen waar je ooit nog eens wat mee wilt doen. Of waarvan je vindt dat je er eigenlijk nog eens wat mee zou moeten doen. Of dat je dat aan jezelf of iemand anders verplicht bent. En zolang je blijft twijfelen blijft het gewoon liggen.
Op het moment dat je iets, of liever gezegd veel van iets, gaat weggooien, wordt je je bewust van de hoeveelheid rommel die je meezeult. In je hoofd, op je bureau, in je huis. Da’s confronterend en dus niet leuk. En omdat je steeds maar blijft bewaren, wordt het een gewoonte die lastig is af te leren. Waarom, omdat je eerst door een poosje confrontatie heen moet voor je gewend bent aan het weggooien. Pas daarna kun je gaan genieten van je opgeruimde hoofd, bureau en huis.